De Amsterdamse Kunstraad en de culturele investeringsrekening

Ruim voor de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2018 is de Amsterdamse Kunstraad gekomen met een Advies Culturele Investeringsrekening, samen met een interview met Kunstraad Voorzitter Felix Rottenberg in de Volkskrant. Het advies komt eigenlijk net te laat om te dienen als input voor de verschillende verkiezingsprogramma’s van de belangrijkste Amsterdamse politieke partijen, maar is ruim op tijd om mogelijk een rol te spelen bij de coalitieonderhandelingen die zullen volgen op de verkiezingen. Een zeer lezenswaardig advies met sterke elementen voor een blik op de culturele toekomst van Amsterdam en op wat nodig is om de stad een extra stap te laten zetten

Een van de meer interessante maar ook steeds weer onderbelichte conclusies van de Kunstraad is dat Amsterdam in verhouding tot de andere drie grote steden het minste uitgeeft aan Kunst & Cultuur. Ze vraagt om 25% verhoging van het budget de komende bestuursperiode, mede om de schaalsprong van een reguliere stad naar een metropool waar te kunnen maken op dit terrein. Daarbij wordt uitgegaan van een Metropool met meerdere culturele centra, ook omdat zo de drukte in de binnenstad zou kunnen worden verminderd. Belangrijk is dat de Kunstraad benadrukt dat de Metropool Amsterdam niet hetzelfde is als de Metropool Regio Amsterdam, het bestuurlijke gedrocht waarin 33 gemeenten, 2 provincies en een vervoersregio samenwerken. Daar zou, zo stelt men terecht, niets goeds voor de Kunst & Cultuur uit komen. Ze stelt vervolgens dat de Gemeente het herstel van budgetten van het Rijk moet volgen. Dit is een pijnlijke daar Amsterdam haar bezuiniging van 2010 al in 2014 volledig heeft teruggedraaid, hoewel niet met een indexering en dat het Rijk pas oplopend vanaf 2018 en maar zeer beperkt de bezuinigingen van 2011 terugdraait. Dus niet de Gemeente maar het Rijk moet hier de enigszins bestraffende worden krijgen. Dat maakt de boodschap trouwens niet minder belangrijk: Amsterdam moet met de aankomende schaalsprong extra investeren in de cultuur van en voor de stad. 

Maar wat stelt de Kunstraad dan verder in haar advies voor?

Allereerst invoering van de Fair Practice Code voor makers. Op zich is het terecht dat aandacht komt voor de slechte financiële positie van makers. Het probleem is echter veel te complex om alleen maar op te lossen door een code voor de instellingen in te stellen. De gedachte is dat instellingen makers beter moeten betalen, langs de lijn de CAO of Richtlijn van de specifieke sector. Probleem is echter dat de budgetten daarvoor bij de instellingen ontbreken en dat ook binnen de instellingen langzaamaan iedereen op een houtje bijt. Daarbij komt dat het probleem voor de verschillende makers ook nog eens verschillend ligt. De podiumkunsten werken veelal met partages of soms nog uitkopen, de beeldende kunst met hanggeld, als je geluk hebt en niet wordt gezegd dat het goed is voor je carrière als je je werk (gratis) beschikbaar stelt voor een tentoonstelling. Schuldige partij is hier eveneens de Rijksoverheid, die jarenlang eigenlijk verantwoordelijk was voor de makers waar de gemeente verantwoordelijk was voor de gebouwen. Met de bezuinigingen van 2011 heeft het Rijk feitelijk een deel van die taak (onterecht) overgedragen aan de gemeenten, die nu met de last zitten. En dan heb ik het nog niet eens over het opheffen van de productiehuisfunctie door het Rijk in 2008. Het zou dan ook een route bergafwaarts zijn  als daadwerkelijk instellingen worden gedwongen om maar minder dagen open te zijn of minder voorstellingen of exposities te organiseren zoals de Kunstraad onder andere suggereert om de Fair Practice Code te kunnen bekostigen. Zeker als het risico bestaat dat dit in het vervolg weer wordt afgestraft, want ‘ men doet toch minder’. Het werkelijk op acceptabel niveau waarderen van werkenden (niet alleen makers) in de Cultuursector kost veel meer dan de nu door de Kunstraad voorgestelde budgetverhoging van 25%, hoe goed die ook klinkt. Dit gaat om reparatie van jarenlang structurele onderbetaling.

Het pleidooi om de Kunst & Cultuur mee te laten profiteren van de mede door henzelf aangezwengelde ruimtelijke ontwikkeling van de stad is mij uit het hart gegrepen. Behoud van culturele panden die in gemeentelijk eigendom zijn door een vaste culturele bestemming is op zich een goede maatregel, een stop op de verkoop van deze panden en een continue lagere huur echter veel meer. Dat vergt dat het beheer van de panden ook bij de gemeente volledig in handen komt van de afdeling Kunst & Cultuur. Noem het back to basics. Maar het gaat om meer. De culturele instellingen moeten mee kunnen profiteren van de winstontwikkeling in de stedelijke vernieuwingsgebieden. daar zit nml. het echte geld. Tot nu toe vloeit dat alles naar ontwikkelaars en grondeigenaren, die veelal strategisch inkopen in aangekondigde stedelijk vernieuwingsgebieden. Een voorbeeld daarvan is de Amerikaanse vastgoedontwikkelaar Hines, dat strategische positie heeft gekocht met het Hamerkwartier met als enkel doel om de grond in de nu nabije toekomst uit te melken door wolkenkrabbers te bouwen. Hier zal inpassen van culturele en maatschappelijke functies voor langere termijn veel lastiger blijken.

Op het gebied van diversiteit begeeft de Kunstraad zich op glad ijs. Door specifiek instellingen te benoemen die, blijkbaar volgens de Kunstraad onterecht, zijn gekort op hun subsidie, treedt ze op het terrein van de adviesbevoegdheid van het Amsterdams Fonds voor de Kunst, zonder ook maar iets gelegen te laten aan het waarom van de korting. Dat is niet alleen kortzichtig, dat is regelrecht discutabel. De suggestie dat commerciële cultuuruitingen voorlopen in diversiteitsbeleid ten opzichte van de gesubsidieerde instellingen lijkt totaal uit de lucht gegrepen en wordt in ieder geval niet onderbouwd. Een typisch gevalletje onderbuik dat niet past in een advies van de Kunstraad. Ook de benadrukking van culturele diversiteit op school die wordt afgezet tegen de bestaande situatie en tegen een enkele maatregel van het nieuwe kabinet neigt naar opportunisme. Zeker als het gaat om muziekeducatie is sprake van hoge inzet op diversiteit met structurele ondersteuning van het Leerorkest, dat uitsluitend opereert in ‘achterstandswijken’ en Aslan Muziekcentrum naast de Muziekschool Amsterdam waar ook een divers aanbod is. Dat had de Kunstraad in haar advies ook kunnen onderschrijven.

Dat de Kunstraad vraagt om investering in de culturele infrastructuur is goed. Natuurlijk valt er te twisten over waar dat dan precies moet gebeuren en op welke schaal. Van belang is vooral dat naast de ingrepen die de Kunstraad noemt in de bestaande infrastructuur van Oost, Zuid, Zuid-Oost en West, wordt nagedacht over culturele en maatschappelijke infrastrastructuur in nieuw te ontwikkelen gebieden als Havenstad en Oostelijk Noord.   

Kunstraadvoorzitter Rottenberg is een sterk pleitbezorger van de Amsterdamse Kunst & Cultuursector in de Volkskrant, maar op één punt lijkt hij de boodschap te missen. Waar hij de 100 dagen aanpak van Veem House for performance omarmt als een goede oplossing bij beperkte subsidiëring moet de aanpak van Veem toch vooral als een statement worden gezien. Directeur Anne Breure en de hare zeggen vooral dat het zo niet langer meer kan. Dat wanneer je niet bereid bent middelen beschikbaar te stellen voor kwetsbare kunstuitingen je ook gewoon minder krijgt. En dat we ons daar ook tegen moeten verzetten. Juist Rottenberg moet, gezien zijn verdere pleidooi, deze insteek kunnen lezen. Zijn redenatie opent de weg voor meer bezuinigingen en minder aanbod in de toekomst. Iets dat hij verder juist niet lijkt voor te staan.   

Maar dat de gemeente extra zal moeten investeren in de culturele infrastructuur van de stad, zowel incidenteel als structureel, zeker met de toekomstige groei van de stad steeds meer in zicht, staat buiten kijf. Op dat punt verdient het advies van de Kunstraad dan ook alle steun. 

 

  

 

Leuk als je dit deelt:Share on FacebookShare on LinkedInTweet about this on TwitterPin on PinterestShare on Google+

Een reactie plaatsen